Ectoparasieten
Als we spreken over ectoparasieten bij duiven dan denken we
aan alle ongedierte dat zich op de duif uitwendig bevindt (vb.
luizen, teken en mijten). Bepaalde ectoparasieten zoals de lange
vederluis (Columbicola columbae) worden zeer frequent
aangetroffen. Deze vederluis legt eitjes tegen de schacht van de
veren en ze voedt zich met vederafval.
Een andere meer onrust veroorzakende ectoparasiet, is de stuitluis (Campanulotes
bidentatus), die zich onder de veren bovenop de stuit van de
duif bevindt. Duiven in een slechte conditie zullen veel vaker met
deze luizen geconfronteerd worden. Ook de verschillende vedermijten
bevinden zich tussen de baarden van de slagpennen en ook deze voeden
zich met vederstof.
Hoofdzakelijk zien we infecties met vederschurft (Neoknemidocoptes)
en zeer zeldzaam soms ook een geval van pootschurft (Knemidocoptes
mutans).
Aan de rode vogelmijt (Dermanyssus gallinae) moet steeds
gedacht worden bij duiven met bloedarmoede (anemie) en bij sterk
verzwakte duiven. Deze huist in de spleten op het duivenhok. Deze
bloedzuigers komen 's nachts te voorschijn en kunnen zeer grote
hoeveelheden bloed aftappen en op die manier een ernstige
bloedarmoede veroorzaken bij jonge duiven.
Curatief (= bij ziekte):
- Bij aanwezigheid van ongedierte alle duiven 1 à 2 x / week
behandelen met of met IVOMEC
tot het verdwijnen van de parasiet
- Ook de muren, deuren, zitstokken, hokspleten en
transportmiddelen besproeien met
of met IVOMEC
Preventief (= voorbehoedend):
Alle duiven 1 x / maand gelijktijdig per hok behandelen
Belangrijk:
De dag van het behandelen met
mogen de duiven niet baden of in de regen vliegen. Contact van de
pluimen met water na behandeling vermijden.
|
|
. |
|